Hagen, heggen en houtkanten
Houtkanten, hagen en heggen werden van oudsher toegepast als perceelscheiding rondom erven, weilanden en boomgaarden. Ze werden ook ingezet om het vee op de weides te houden of om brandhout of geriefhout te oogsten. Heggen en houtkanten bestaan o.a. uit struiken zoals meidoorn, sleedoorn, haagbeuk, hazelnoot, vuilboom en dergelijke. Geschoren hagen zijn hoofdzakelijk meidoornhagen. Ook in de ondergroei vinden we een veelvoud aan soorten. Om de dichtheid van hagen te verbeteren, werden soms speciale technieken gebruikt: gevlochten of gelegde hagen, waar je nog relicten van terugvindt in het landschap.
Graften
Graften zijn steile randen op hellingen, die meestal begroeid zijn met houtkanten met opgaande bomen of struiken. Gewoonlijk lopen de graften evenwijdig aan de hoogtelijnen en verdelen ze de hellingen in kleinere of grotere terrassen. Ze zijn vermoedelijk ontstaan in de volle middeleeuwen, toen de beboste hellingen werden ontgonnen om het afspoelen van de vruchtbare toplaag door erosie tegen te gaan.
Holle wegen
Op het grotendeels met löss bedekte dalenlandschap groeiden na de laatste ijstijd uitgestrekte loofbossen. Na de introductie van de landbouw (omstreeks 4.400 voor Christus) vonden de eerste ontbossingen plaats. De meest vruchtbare gronden op de lagere plateaus aan de randen van beekdalen werden het eerst ontgonnen. Tijdens deze periode ontstonden de eerste holle wegen door het gebruik van paden van en naar het oerbos.
Droogdalen
De diepe en brede ‘droogdalen’ (niet-watervoerende dalen) die je vandaag nog veelvuldig in het landschap ziet, zijn het resultaat van immense erosieprocessen tijdens de opeenvolgende ijstijden. Regenriviertjes erodeerden tijdens de ijstijden een dal op een bevroren ondergrond. Na de dooi werd het water grotendeels ondergronds afgevoerd door de poreuze krijtlagen, maar de droogdalen bleven geomorfologisch in het landschap bewaard. De mate waarin de erosie heeft plaatsgevonden bepaalt de grootte en mate van insnijding van de plateaus. Deze droogdalen kunnen bij zware of aanhoudende regenval nog steeds watervoerend worden.
Helling- en plateaubossen
Op de dalflanken vinden we boscomplexen die een rijke variatie aan bostypen herbergen. Het zijn veelal steile hellingen of plekken met een onvruchtbare ondergrond, die tot op de dag van vandaag nog bebost zijn. De bossen werden in het verleden veelal gebruikt als hakhoutbos en middenbos (hakhoutbos met overstaanders), waardoor bijzondere planten, zoals verschillende soorten orchideeën, ook in deze bossen de ruimte kregen. De bossen zijn de habitat van bijzondere flora en fauna. Vleermuizen zoals Bechsteins vleermuis, vale vleermuis, ingekorven vleermuis en bosvleermuis zijn bijvoorbeeld gebonden aan grote, oude bossen. Een andere typische soort is de wilde kat, welke onder andere te vinden is in het Vijlenerbos.
Smaakt dit naar meer? Hier lees je meer over de eigenheid van ons landschap en hoe het ontstond: